Serbian Surprise

Wat een geweldig land is dit! Ik had me Servië wat grijs en gloomy voorgesteld met nogal stugge mensen. Niets van dat alles. Natuurlijk zijn er de overblijfselen van de communistische tijd, zowel in de omgeving als in de mensen.

Dat maakt het land misschien wel zo boeiend. De contrasten zijn heel groot, maar vooral de mensen maken het bijzonder. Tot nu toe zijn we, afgezien van een doorgewinterde commi-ambtenaar, alleen nog maar zeer gastvrije,vriendelijke en hulpvaardige mensen tegengekomen die oprecht geïnteresseerd zijn en hun land willen aanprijzen. Ze houden van humor en een feestje. Het eten is goed en de prijzen zijn voor de meeste zaken bizar laag. Je moet geen haast hebben…de volksaard is, laten we zeggen, nogal relaxed. Alles kan en is “no problem”.

Maar eerst even terug naar Baja, de laatste stop in Hongarije. Mooi plaatsje waar de bibliotheek in de oude synagoge is gehuisvest hetgeen een wat bizarre tafereel oplevert.

Hier ook de brommers weer tevoorschijn gehaald want Baja ligt in een bijzonder natuurpark dat wij natuurlijk gemotoriseerd moesten inspecteren.

Na de grensperikelen waar jullie al over hebben kunnen lezen komen we daarna in Apatin, het eerste Servische plaatsje. De lokale brouwerij heet Jelen en die brouwen een prima biertje. We moesten wel even wennen toen we op een mooi terrasje 200 Dinar moesten afrekenen voor een wijn en een halve liter bier…dat is dus ca. 1,60…heb nog een hele tijd gedacht dat ik de wisselkoers niet goed had… Hetzelfde geldt voor het eten…daar kan je bijna niet zelf tegen koken…nou deed ik dat al niet zo vaak…

Hier voor het eerst in een Servisch-Orthodoxe kerk wezen kijken. Das ff wat anders dan de gemiddelde Katholieke kerk met veel verheerlijking van Iconen. Het valt inmiddels op dat deze kerken hier nog steeds populair zijn. Zal wel een soort reactie tegen de communistische tijd zijn.

Apatin kent 1 bekend visrestaurant waar we natuurlijk Donau-vis zijn gaan eten. We kwamen daar in een Servische bruiloft terecht. Lachen! Het doet denken aan een Grieks feest met veel hoppa en dansen in een kring. Ook opvallend is dat de hier gebruikelijke, toch al niet ruime,  kledij van de dames zich op een bruiloft extremer doorzet…het leek dus een beetje op een bijeenkomst van de prostitutievakbond…niks mis mee.

In de haven met een aantal oude vissers gesproken. Briljante, smalle, platte bootjes waar ze ook nog op overnachten. Onderweg kom je ze veel tegen. Ze vissen met hengel en netten op Meerval, Steur, Snoekbaars, Karper en Forel.

Over spreken gesproken. Veel jongeren kennen wel wat Engels, maar er zijn veel Serven die vooral Servisch kennen…en Russisch, dat was vroeger de 2e taal op school. Er komt dus nogal wat handen en voeten werk bij te pas. Zo ook in een “gesprek” dat ik had met een Serv op een terras hier. Hij vond het geweldig dat we helemaal uit Hollanda naar Servië waren gekomen en stond erop ons een drankje aan te bieden…iets waarvan hij zelf duidelijk al een ruime hoeveelheid genuttigd had (niet ongebruikelijk hier). Wel veel gelachen met deze man.

Dan naar Novi Sad. Onderweg kom je dan aan de Kroatische kant langs Vukovar…allemaal bekende namen voor mensen die in de jaren 90 het nieuws volgden. In Vukovar zijn nog duidelijk de littekens van de oorlog te zien. Beroemd is inmiddels de watertoren met legio gaten van Servische granaten die er nog steeds staat.

20170515_112947411_iOS

Novi Sad heeft waarschijnlijk de meeste recente wonden. Hier heeft de NAVO in 1999 nog de bruggen en andere doelen gebombardeerd in de Kosovo oorlog. Als we daar met mensen zitten te praten realiseer je je pas dat zij letterlijk de kruisraketten over de Donau hebt zien aankomen die 1 voor 1 de bruggen vernietigden… De meeste zaken zijn inmiddels hersteld…en ze zijn het hier gewend… een Serv maakt in zijn leven gemiddeld 3 oorlogen mee. Al sinds de Romeinse tijd vormt het het slagveld tussen Oost en West, Christendom en Islam, etc. Vooral de Turkse (Ottomaanse) overheersing in de 15 – 17e eeuw heeft ervoor gezorgd dat de Balkan, met Servië als middelpunt, een smeltkroes is geworden van volken en religies die het nooit met elkaar hebben kunnen vinden.

Ondanks die trieste historie is Novi Sad alles behalve triest. Zelden zo’n levendige stad meegemaakt. Het feit dat het een studentenstad is helpt. Vooral de jongeren hebben een heel open houding en willen duidelijk een nieuw Servië opbouwen. Ze zetten zich af tegen de huidige politici die ze consequent “bandieten” noemen.

We liggen hier in de “winterhaven”. Daarin is een bonte verzameling “Yachting clubs” en drijvende objecten bijeengebracht. Dit alles tussen betonnen en stalen overblijfselen van oude loskades. De club waar wij uiteindelijk een stukje drijvend steiger vinden heet daadwerkelijk Yachting Club. Het is een vereniging van vooral jonge mensen uit Novi Sad. Erg leuke avond met wat bier en diepe gesprekken waarin alle wereldproblemen zijn opgelost.

In de stad vallen we met onze neus in de Hollandse boter. Op het centrale plein wordt elke avond een ander land gepresenteerd met eten, drank, muziek en deftige types van de ambassade inclusief een toespraak van de ambassadeur. Raadt eens welk land er op de 16e aan de beurt is.

Een hilarische vertoning. Om te beginnen hebben we daar een ambassadeur die qua uiterlijk zo bij de Servische maffia kan, geen Servisch spreekt…en eigenlijk ook amper Engels. Vervolgens is hier sprake van gratis eten en drinken…en laten de zwervers in Novi Sad nu net een vrij lage kieskeurigheidsdrempel hebben met betrekking tot het land waar dat vandaan komt…Zij staan dus vooraan bij de Statafels alle bitterballen weg te kapen. Dan heeft een ambassademiep bedacht de kleedjes op de tafels te houden middels een pakje tomatenpuree… die dezelfde zwervers dus openpeuteren en ook achterover staan te werken. Vervolgens is de screening op de muziekband ook niet helemaal gelukt want wat schalt na André Hazes uit de speakers: Angelique met een beetje geld voor een beetje liefde…luister ff hier …overigens de A-kant van het legendarische nummer “vader wat klotsen je ballen”. Gelukkig waren er weinig Nederlandstaligen…

Al deze ambtelijke treurigheid kon weinig afdoen aan een geweldige stad met mooie mensen.

En dan de laatste hoofdstad die we op de Donau met de boot gaan aandoen: Belgrado. Ja, ja, we gaan nog naar Boekarest, maar dat ligt ca. 40km bij de Donau vandaan. Daar komen we dus niet met de boot. Onderweg wordt duidelijk waarom er zoveel klerezooi in de Donau drijft, niet alleen bomen en takken maar ook veel plastic. Sommige dorpen hebben hun vuilstort gewoon aan de Donau…en als het dan hoog water wordt…weer een probleem minder…bizar dat dat nog kan in deze tijd

In Belgrado gaan we de Save rivier op naar Drijvend restaurant Vodenica. Inmiddels een instituut onder Donau reizigers. Uitbater Dorde (spreek uit: Georg), zijn vader die de zaak gestart is in 1986 en zijn familie runnen de show en niks is te gek. Mr.Bean2 werd vastgeknoopt aan het hekwerk van het drijvend terras en blokkeerde vervolgens zowel uitzicht als zon…no problem! Even een stroom kabel door het terras trekken…no problem! Drie dagen blijven liggen, ’s morgens mee inkopen doen op de markt, even benzine halen voor Teddy, Verse vis eten…allemaal: no problem! …maar eerst even een Rakia (soort van Appelbrandy! Leuke mensen, mooie verhalen!

Belgrado is een moderne stad met grote contrasten. Communistische afbraakpanden naast fantastisch gerestaureerde Art-deco gebouwen. Hippe types naast kromme oude vrouwtjes in het zwart. Zastava’s naast BMW’s. Het is vooral ook een feeststad. Dat speelt zich voor een groot deel af op alle drijvende kroegen, clubs en disco’s in de Save rivier…tot een uur of 5 ’s nachts hoef je niet aan slapen te denken.

We zijn ook een middag met Teddy2MrBean2 naar Zunem gegaan. Dat was vroeger een aparte stad maar vormt nu een soort van voorstad. Leuk oud plaatsje met veel watersport. Toen we aankwamen in 1 van de Yacht clubs stond er gelijk iemand klaar om te roepen dat het no problem was. Even verder begroetten we iemand op zijn bootje die de bbq aanstak om net gevangen vis te gaan grillen. Na wat te hebben rondgekeken en gegeten weer terug naar de Yachtclub met alle faciliteiten zoals stevige steigers en sanitaire voorzieningen.

Toen we terugvoeren kwamen we langs een bootje dat voor anker lag bij een eiland. Het bleek de man van de bbq te zijn. Die daar inmiddels met zijn vrouw ronddreef en de vis aan het verorberen was. Ze wenkten ons direct en we moesten en zouden ook van de vis eten en een biertje meedrinken…dat liep nogal uit de hand. Het bleek uiteindelijk ook dat ze helemaal niet voor anker lagen…ze dreven gewoon de Donau af…No problem! Op een gegeven moment waren we in de buurt van Mr.Bean2 gedreven en zijn we nog bij 1 van de drijvende kroegen van een vriend van hun wat gaan drinken om vervolgens behoorlijk teut weer aan boord van onze eigen boot te gaan. Ze hadden een fabriek voor kinderkleren en een paar winkels en haalden hun spullen vooral uit Turkije en verkochten veel in Oost Europa en Rusland. “Business Turkey Super, Europa no good”. Erg leuke en gezellige mensen op Aleksandar!

Nu liggen we in Silverlake. Ja, zo heet het echt, een soort van Servische versie van Center Parcs aan een afgedamde oude arm van de Donau. Daarover, de tocht door the Iron Gate, Roemenië en Bulgarije, volgende week meer.

Cheers André

Borderliners

Alleen daarvoor wil je al in de EU blijven! We zijn deze week terug in de tijd, in een Kafkaiaans toneelstuk voor mensen in uniform geworpen. Ik had het al een beetje aangekondigd…en het heeft alle verwachtingen overtroffen! Bij Mohacs verlaten we Hongarije en veel vervelender: het Schengen-gebied…en nog vervelender: de EU. Want Servië is lid van een paar kantklosverenigingen, maar verder helemaal niets…zeg maar Nederland als die peroxide-leip het een tijdje voor het zeggen heeft.

Om te beginnen moeten we dus “uitklaren”. Daarvoor kan je in Mohacs, midden in de rivier aanleggen aan een ponton met allerlei stalen binten. Er is wel een houten stukje voor kleine bootjes, maar daar passen wij niet. Op de kant voor het enorme kantoor zitten 2 uniformen, maar die hebben het veel te druk met bedenken welk onzinnig administratief proces ze ons gaan aandoen…dus kunnen geen touwtje aanpakken. Aangezien op de ponton klimmen ook bijna onmogelijk is zijn we dus wel ff bezig de boot in 8km/u stroming vast te krijgen.

Als we eindelijk liggen verzamel ik alle papieren waarvan ik denk dat ze ook maar vaag interessant kunnen zijn voor de verzamelde intelligentsia, neem me voor echt nergens tegenin te gaan en zelfs geen WTF-gezichten-te-trekken, en ga op pad. De ingang van het enorme pand is al moeilijk te vinden. Een uniform dat daar rondloopt en die ik overdreven vriendelijk begroet, negeert me gewoon (ik zal wel op werk hebben geleken).  Eén keer binnen ga ik naar het eerste en enige loket dat ik zie. Helaas heb ik niet de moed gehad foto’s te maken, maar dat zag er hilarisch uit. Het loket zit op kniehoogte, daarboven een raam dat op een kiertje omhoog staat en waar het zodanig onderdoor tocht dat je er geen papier kan neerleggen. Daarachter ligt een uniform in een draaistoel van mij afgekeerd een conversatie te houden met een collega. Beide keuren mij geen blik waardig. Na wat pogingen gedaan te hebben de aandacht te trekken vertelt hij me natuurlijk dat ik aan het verkeerde loket ben. Ik moet helemaal naar achteren in het gebouw naar de receptie…handig…een receptie zover mogelijk van de ingang…ik zeg het niet…

Daar staat een opvallend vriendelijke mevrouw die zich duidelijk schaamt voor deze farce en mij een document overhandigt dat een soort van routebeschrijving door het gebouw vormt. Eerst naar de Grenspolitie, dan Douane, dan WasserschutzPolitie (vraag me niet wat het verschil is), dan de dokter (waarschijnlijk een psychiater…daar ben je dan wel aan toe) en dan naar de Katastrofendienst (het staat er echt…ik vraag niks).

Ik terug naar de Grenspolitie, klop netjes op de deur en doe hem open…dat was iets teveel van het goede. Zwaar geschrokken van zoveel brutaliteit kwam de zus van Geert Wilders (zwaar geblondeerd vreemd kapsel, zoiets waar vrouwen onder elkaar van zeggen “lekker fris kort koppie”) aanstormen om te voorkomen dat ik over de drempel zou stappen en de Hongaarse kroonjuwelen zou stelen. Ik moest buiten wachten. Bijtend op mijn lip ik weer op de gang. Even later kwam Gerda Wilders weer naar buiten. Alle papieren doorspitten, die waren natuurlijk fout, maar dat maakte niet uit en uiteindelijk kreeg ik haar handtekening op mijn routebeschrijving. Als ik ze allemaal had verzameld moest ik ze weer bij haar komen laten zien.

Volgende halte: Douane. Dat bleek dus het idiote loketje waar ik me in eerste instantie had gemeld. De houding van de man erachter was nog exact hetzelfde. Nadat hij een boek had geschreven op zijn computer kreeg ik ook zijn zegen en handtekening. Dan zoeken naar de WasserschutzPolizei. Zelfde ritueel: deur kloppen open doen en dan wat zwaar geschrokken uniformen aantreffen. Ook deze konden mij vertellen dat ik alleen maar verkeerde papieren had. De vraag wat ze dan wilden hebben konden ze echter niet beantwoorden. Uiteindelijk ook hun handtekening en naar de Dokter. Daar een lijst ingevuld dat ik niet gek was, geen herpes had…en nog wat zaken…waarom je dat gaat vragen als iemand het land verlaat heb ik weggeslikt.

Daarna naar het kamertje waar ik het meest naar had uitgekeken: de Katastrofendienst. Wisten zij al iets wat ik nog niet wist? Dat viel mee. Zij waren van de controle op gevaarlijke stoffen enzo…afgezien van onze flatulente aard viel dat mee. De laatste handtekening!! Terug naar Gerda.

Daar bleek dat we zomaar niet weg konden. Inmiddels had zich het nieuws van een wat buitensporig jacht aan hun steiger door het gebouw verspreid en stonden er 3 man + Gerda klaar om dat eens te gaan inspecteren. Inmiddels was met een paar het ijs wel wat gebroken en konden er zelfs wat grappen gemaakt worden. Aan boord hebben ze eigenlijk niets anders gedaan dan de boot bewonderd en gezegd dat ze wel mee wilden naar de Zwarte Zee. Het “ga dan eerst maar een normale baan zoeken” heb ik weer ingeslikt…ik was uiteindelijk best trots op mezelf.

Bij het losmaken werden we vriendelijk geholpen en gingen vervolgens het 3-landen punt over. Daar waar Hongarije stopt en de Donau grensrivier wordt tussen Servië en Kroatië. Omdat Kroatië vrij snel stopt en het dan alleen maar Servië is, gekozen om aan de Servische kant in te klaren. De YU-agent (denk dat dat nog voor Yugoslavia staat) die ik belde vertelde me vriendelijk en in prima Engels dat dat gewoon kon in de eerste jachthaven in Apatin waar we sowieso naartoe wilden. Nu wil het geval dat het vrijdag 14:30 was toen we daar aankwamen…en dan is “de kapitan” zoals de ambtenaar die hierover gaat genoemd wordt al aan het bijkomen van zijn uiterst stressvolle week. De havenmeester – ze heette Anna, was mooi en was ook de eerste havenmeester ooit die ik op hakken heb gezien – was heel vriendelijk, zoals eigenlijk iedereen hier. Ze reden ons direct naar het Politiebureau voor wat stempels in het paspoort zodat we wel legaal aan land konden gaan. We waren dus gedwongen het weekend in Apatin door te brengen. Geen slechte plek.

Op maandagochtend om 8 uur stond Milan van de haven al klaar om mij rond te rijden langs alle belangrijke mensen. In Hongarije hadden ze nog alle instanties in 1 gebouw ondergebracht…dat is niet gebruikelijk…blijkt. Om te beginnen naar de Kapitan…helaas ook hier weer te schijterig om foto’s te maken…maar een briljant Oostblok kantoor compleet met uitgebreide betonrot, oude typemachines en veel sigarettenrook. Ik werd binnengeleid in de kamer van El Kapitan. Briljant! Enorm verboden te roken boord op de deur…die je vervolgens bijna niet open krijgt van de rook. Achter die rook ontwaarde ik een zwaar doorgerookt hoofd. El Kapitan zat duidelijk tegen een burn-out aan…van zijn 25e sigaret die ochtend. Ik was ondertussen erg blij met Milan die iedereen leek te kennen en de olie in het proces vormde. El Kapitan keek wat ongeïnteresseerd naar mijn papieren, begon toen wat op zijn Commodore64 te tikken en daar bleef het een beetje bij…tot ik de verlossende woorden zei: ik heb ook kopieën van alle papieren bij me. Geweldig. Nou die wilde hij graag hebben. Daarna waren we ook direct klaar…met deze etappe.

De volgende ging naar de bank met een papier van El Kapitan waarop ik 7000 dinar moest voldoen voor een vergunning om in Servië te mogen varen. De vraag waarom ik hem niet direct kon betalen heb ik weer ingeslikt…en ik kon ook wel een paar antwoorden bedenken. De bank was in dit proces de langste etappe. Denk aan een Italiaanse Bank in de jaren 80. 4 loketten waarvan er maar 1 open is, enorme rij ervoor met mensen met ingewikkelde papieren en een algehele totale ontkenning van het begrip “klant”. Ik dacht nog van de nood een deugd te maken: “kan ik hier ook mijn Hongaarse floppies voor Servische inruilen”? Natuurlijk niet!

Een half uur, 7000 dinar en een illusie armer terug naar El Kapitan die, wonder boven wonder, op basis van mijn kopieën een vergunning in elkaar had gesleuteld met veel bladzijden, stempels en handtekeningen. Toen naar de Politie voor wat stempels. Nu waren we daar al eerder geweest en het bureau was al een evenement op zichzelf. Om te beginnen ligt het aan een mooie wandelpromenade langs de Donau, waar je officieel niet eens mag fietsen, laat staan met een auto rijden. Iedereen rijdt daar dus met een auto, ook de Politie, en ook Milan. Het gebouw is een afbraakpand met een soort van boomhut ernaast. Voor de deur ligt een Hond van het niet afschrikkende type en binnen is…uuuhh…niets. Je komt in een halletje met letterlijk 3 stoelen die allemaal uit elkaar vallen.

Toen wij binnenkwamen zat er een dikke vadsige Bromsnor in 1 van de 3 stoeltjes. Hij had zo in een spaghetti western kunnen figureren. Naast hem stond een mooie politieagente.  Milan zei een paar dingen tegen hem en toen begon hij in het Servisch uit te varen…ik zag ons uitvaren al in rook opgaan. Dat ging 10 minuten zo door waarbij er steeds harder geschreeuwd werd. Ik stond er voor Piet Snot bij. De Agente leek zich wat voor het tafereel te schamen en met wat gebaren, buiten het zicht van Bromsnor, gaf ik haar de vergunningspapieren waarmee zij naar achteren verdween. Even later kwam ze weer terug terwijl Bromsnor nog voluit zat te oreren. Ze gaf mij de vergunning met een blik van “het is in orde”. Toen Milan er een woord tussen kon krijgen zijn we weer weg gegaan nog wat na gebromd door de snor.

In de auto vroeg ik Milan wat er gebeurd was. Hij zei: “Niets, de man drinkt gewoon teveel”. Het bleek dat Bromsnor de chef van de Politie aldaar was en ’s morgens om 10 uur al dronken…Geweldig!

We gaan dit allemaal waarschijnlijk nog een paar keer meemaken: Servië uit, Roemenië in, Roemenië uit, Bulgarije in etc. etc….ik denk dat hoogte- en dieptepunt Turkije gaat worden. Zover zijn we nog niet, we zitten wel op bijna 1700 woorden. De reis van afgelopen week beschrijf ik dan ook in een aparte episode die er snel aankomt.

Cheers, André

franzkafka1